1. Weet u de weg _____ Gent? * over
op
na
naar
2. _____ een uur zal ik weer thuis zijn. * na
in
over
naar
3. Tom is ook in het dorp geweest, maar wij hebben _____ niet gezien. * hij
ze
hen
hem
4. Ik heb _____ drie keer opgebeld, maar er was niemand thuis. * al
na
altijd
op
5. Vergeet niet het boek _____ . * meebrengen
te zullen meebrengen
brengen
mee te brengen
6. _____ boek is mij te duur. * Dan
Die
Dat
De
7. Ik _____ een kopje thee te drinken. * zal
zit
wil
ga
8. Waar komt u _____ ? Uit Brussel. * van
af
uit
vandaan
9. “Mijn vrouw is niet thuis.” - “ Daar kunnen wij niets _____ doen.” * aan
voor
af
over
10. _____ u de groeten aan uw vriendin ! * Biedt
Doet
Brengt
Laat
11. _____ wil je het boek geven? * Met die
Wat voor
Aan wie
Waaraan
12. Voor de weg naar zijn werk _____ meneer Peeters de bus. * neemt
rijdt
neem
nemen
13. Ik heb om acht uur naar het nieuws op de radio _____ . * geluisterd
gehoord
luisteren
te horen
14. Koen is even oud _____ Steven. * wie
als
hoe
dan
15. Wat is de _____ weg naar het winkelcentrum? * korter
kort
kortste
kortst
16. Ik _____ niet met u meerijden. * zul
zullen
zal
zult
17. Als je morgen komt _____ . * ik zal tijd voor je hebben.
ik zal voor je tijd hebben.
ik zal hebben tijd voor je.
zal ik tijd voor je hebben.
18. Wim zal _____ vijf minuten wegrijden. * over
na
naar
in
19. Is dat een _____ werk? * inspannende
inspannend
inspannen
inspanning
20. Ilse heeft _____ drie brieven geschreven, maar nog geen antwoord gekregen. * met
op
van
al
21. Ik _____ wel naar je feestje komen, maar ik moet morgen werken. * had
zou
zal
heb
22. Twee van de reizigers hadden _____ paspoort vergeten. * hun
mijn
haar
hen
23. Hoe zegt men het _____ Nederlands? * op
in de
in het
in
24. _____ de deur open, a.u.b. ! * Doet u
Maak
Neemt u
Maakt u
25. Als u de mooie auto wilt kopen, moet u _____ veel …… betalen * daar……..mee
er……..voor
dan………voor
er………in
26. Ik kom eind van _____ maand uit London terug. * dit
het
deze
dat
27. Verleden week _____ bij verkeersongevallen twee mensen gedood. * werden
wordt
werd
worden
28. _____ heb je het boek niet meegebracht? * Waarom
Wie
Hoe
Want
29. Rijdt Tom ook mee naar Antwerpen? - Ik geloof _____ . * niet
nooit
niets
van niet
30. Hoeveel leerlingen __________ er in jou klas? * hebben
blijken
zouden
zijn
31. Het station is _____ de buurt van de grote kerk gelegen. * bij
in
naast
op
32. Deze fiets kost veel, maar die andere is nog _____ . * duurder
duurdere
duurst
dure
33. _____ onze vakantie begonnen was, kregen we mooi weer. * Als
Hoewe
Indien
Toen
34. Nic is gisteren ook bij de voetbalwedstrijd geweest. Heeft u _____ gezien? * hem
hen
hij
hun
35. Pieter vloog _____ toen zijn vader naar hem riep. * de trap naar boven
boven op de trap
op de trap
de trap op
36. Waar zjin de jongens? Een paar minuten geleden _____ ze toch nog hier! * speelden
spelden
spelen
spellen
37. _____ het regent zijn we teleurgesteld. * Hoewel
Om
Omdat
Opdat
38. De chef vraagt zich af, hoe _____ . * het probleem moet hij oplossen
hij het probleem moet oplossen.
moet hij het probleem oplossen.
oplossen moet hij het probleem.
39. De dichte mist _____ tot een groot aantal kettingbotsingen. * leed
leidde
leid
liet
40. Frans vindt zijn bril niet , _____ hij hem daarnet nog heeft gehad. * al
hoewel
omdat
opdat
41. Dit hemd bevalt me niet . Kan ik het _____ ? * ruiken
ruilen
staken
veranderen
42. Toen we naar huis kwamen, _____ er nog licht. * brand
branden
brandde
brandt
43. Weet u iets af van fysica? Nee, ik ken _____ niets van. * daar
daarvan
er
ervan
44. Is dat het boek, _____ je gesproken hebt? * over wie
waar
waarover
wat
45. Vanmiddag heb ik zin _____ naar de film te gaan. * in
na
om
op
46. Betaal _____ of ik? * hij
ze
jij
wij
47. Wij geven u graag ____ mogelijkheid om een abonnement te kopen. * te
de
het
hij
48. Waarom ______hij dat nu? * gedaan
plaats
zet
doet
49. Zullen we _____ pintje gaan drinken? * de
een
onze
te
50. Waar gaan we ____ toe? * voor
op
na
naar
Nom/Naam/Name: *
E-mail of telefoon *
Commentaire/Comments/Notiz: